De Roze Steenvlakte (2)

Ik moet eerlijk bekennen: ik had er nog nooit van gehoord. Maar ja, ik ben dan ook geen ambtenaar. En gebruik ook geen ambtenarentaal: de wirwar van mysterieuze termen en afkortingen waaruit alleen ingewijden kunnen ontcijferen waar het over gaat.

Waar ik het over heb? Over ‘horizontale opslag’.

Voor alle duidelijkheid ga ik even terug in de tijd. In mei schreef ik op deze plaats over de Roze Steenvlakte. Vandaar het 2-tje bij de kop van dit epistel. Een steenvlakte tussen het Princes Irenepad, de Prins Clauslaan, Prins Willem Alexanderweg en de Koninklijke Bibliotheek. KB in vaktaal.

Ik repte toen over licht roze tegels. Een kleine 13.000 vierkanten en rechthoeken. De meesten 50 x 25 centimeter groot, een minderheid 25 x 25. Een goede vijf centimeter dik.

Een vergeten stenen ‘tapijt’ te midden van straten en grote gebouwen dat door niemand wordt gebruikt. Ooit was het een grasvlakte, totdat iemand – ergens in het Haagse stadhuis, zo suggereerde ik in mei – besloot dat het levende groene gras plaats diende te maken voor koud, kaal steen. Aangelegd voor een godsvermogen aan arbeidsloon. Nog afgezien van de kosten per geïmporteerde tegel.

Ik wees er op dat om de hoek, op de Princes Beatrixlaan, dezelfde tegels lagen. Als stoep- en fietspadbeslag. Tegels die voortdurend barsten en dan weer moeizaam vervangen moeten worden. Waarbij niet de tegels van de vlakte worden benut, doch nieuwe worden aangevoerd.

Mijn natuurlijke achterdocht bracht mij tot de suggestie dat de 13.000 ‘vlaktetegels’ bewust waren besteld door iemand in overschot waren besteld die zo zijn eigen zakken vulde. Alleen zou een opslag van de voorraad te veel in het snotje lopen, dus moest de berg ergens ‘verdwijnen’.

DSC01361

Het was een gedachte die mij maar niet los liet. Dus deed ik, in voorzichtige termen, navraag bij de gemeente Den Haag. En zie daar. Bij de roze steenvlakte gaat het om ‘horizontale opslag’ van een voorraad natuursteen. Daar is ‘bewust’ voor gekozen.

De voorraad is ‘in de basis’ bedoeld voor herinrichting van het gebied als er een nieuw project wordt ontwikkeld voor dit stukje Den Haag. De bestrating zou dan dezelfde worden als in de omgeving.

Er groeide inderdaad ooit gras, erkent de gemeente. Later was het een parkeerplaats voor degenen die aan New Babylon werkten. Toen die weg waren werd tot de aanleg van de vlakte besloten.

Waarom? Er kon volgens de gemeente geen ‘zwaar gebruik’ van dit gebied worden toegestaan. En geld voor groenbeheer ter plaatse was er niet. Dus maar steen. Als ‘tijdelijke inrichting’.

Er is echter nieuws. De KB gaat aan een grootschalige verbouwing beginnen. En een ontwikkelaar heeft zich bij de gemeente gemeld om iets met dit gebied te gaan doen. Tot dan blijven de stenen er gewoon liggen.

Ik zal de naam en de functie van de gemeenteambtenaar die belast werd met het beantwoorden van mijn initiële vragen maar niet noemen. Mijn conclusie: als de gemeente ooit met dit gebied aan de gang gaat, gaan er zoveel roze tegels verloren dat er karrenvrachten nieuwe geïmporteerd worden.

De rekening van de ‘horizontale opslag’ blijft zo gewoon liggen. Naar mijn voorzichtige schatting 1,3 miljoen euro aan steen, 275.000 euro btw, 20.000 euro arbeidsloon voor de aanleg van de vlakte (4 man, 1 maand), 1200 euro btw. Al met al, afgerond, 1,6 miljoen euro.

Vraag me wel af wat een ‘niet horizontale opslag’ zou hebben gekost.

WEG. Het noodlot van twee Haagse telefooncellen (4)

Op 8 februari stond bovenstaande kop boven een bericht van mij. Alleen toen tussen haken nummer 3.

Destijds berichtte ik over een brief die ik van de Haagse wethouder Joris Wijsmuller (stadsontwikkeling, wonen, duurzaamheid en cultuur) ontving met als onderwerp Telefooncellen Buitenhof.

Aanleiding van zijn schrijven vormden onder andere twee stukken van mij over de verdwijning van twee historische telefooncellen, direct naast de toegangspoort tussen Buiten- en Binnenhof. Cellen ontworpen begin dertiger jaren. Grijze frames, veel glas en bovenin de tekst Telefoon (bij de ene cel) en Alarm. Brand-Politie bij de andere.

Ze bleken in 2013 te zijn weggehaald door KPN. Wethouder Rabin Baldewsingh wilde voorkomen dat dit stuk Haags erfgoed verdween. Hij verordonneerde dat ze herplaatst moesten worden op het terrein van het Haags vervoersmuseum aan de Parallelweg. Alleen, daar kwamen de cellen nooit aan zo bleek bij navraag.

 

de twee in Amersfoort
de twee in Amersfoort

Joris Wijsmuller liet weten dat de cellen nog niet bij de oude trams en bussen staan omdat er nog geen geschikte locatie voor was gevonden. Maar, zo gaf hij aan, de cellen bestaan nog steeds. Ze staan in Utrecht. Op een terrein van de aannemer Van Rijnsoever. En ze zouden dit voorjaar terug naar Den Haag. Om nu wel hun plekje te krijgen bij het vervoersmuseum. ‘Ik bedank u voor uw betrokkenheid bij het wel en wee van het Haagse monumentaal erfgoed’, schrijft Joris Wijsmuller.

Tsja. Dat was toen. De cellen zijn nog steeds niet bij het vervoersmuseum aangekomen. Naspeuringen mijnerzijds maakten duidelijk dat de twee zelfs helemaal niet bij aannemer Van Rijnsoever in Utrecht stonden! De gemeente bleek zich ‘vergist’ te hebben. Het was een gelijknamige onderneming in Amersfoort.

Daar zijn de twee gevonden. Alleen kunnen ze nog niet terug naar Den Haag. Ze moeten vakkundig opgeknapt worden. Dus is de gemeente Den Haag op zoek naar een geschikte restaurateur. Als die gevonden is, kan die met de twee cellen aan de slag. Wanneer hij klaar is, uiteraard, onduidelijk. Maar het streven is er nu op gericht de cellen in het najaar toch echt weer terug te krijgen naar de Hofstad.

Ben benieuwd. Er is in deze ‘zaak’ al zo veel beloofd en toegezegd dat ik nu het motto aanhang ‘eerst zien, dan geloven’. Deze serie krijgt zeker een vervolg!

Het vergeten kasteel

Je zou het niet zeggen maar Den Haag bezit een echt kasteel. En dan doel ik niet op het alom bekende Binnenhof. Dit kasteel ligt even buiten het centrum. Uit de route als het ware. Zeker voor toeristen en andere liefhebbers van historische gebouwen. Het pand is ook, ik geef het toe, nauwelijks te vinden. Verscholen achter zo’n monsterlijk kantoorgebouw uit de jaren zestig. Dat inmiddels leeg staat, maar daar maalt kennelijk niemand om.

Ik heb het over kasteel De Binckhorst. Formeel gevestigd op Binckhorstlaan 149. Nu ben ik op zich geen freak van oude gebouwen maar toen ik onlangs op een zondag zag dat het toegangshek – jawel, ook hier – open stond kon ik de aandrang niet weerstaan eens een kijkje te nemen bij het kasteel.

Het pand stond-, en de omliggende tuin lag er strak bij. Het kasteel en een nagebouwd houten koetshuis worden ‘bewoond’ door Bergman Clinics, een conglomeraat van klinieken voor bewegingszorg, vrouwenzorg, inwendige zorg, uiterlijk&huid. Tenminste, dat melden ze op hun eigen site.

Wat naspeuringen leerde mij het volgende. In 1079 was hier een hofstede toebehorend aan Evert van den Binckhorst. Later werd de hofstede uitgebouwd tot landgoed bestaande uit een gebouw en 30 hectare grond. In 1308 was het kennelijk in bezit van Graaf Willem 3. Door de eeuwen heen woonden er talloze notabelen. In 1928 kwam het in handen van de gemeente Den Haag.

Het Nederlandse leger vorderde het pand in 1939. Korte tijd later trokken de nazi’s erin en werd het een weeshuis voor jongens. Dat bleef het kasteel tot 1958. In dat jaar werd het eigendom van de Stichting vakopleiding bouwbedrijf. In 1969 kwam het foeilelijke kantoorgebouw tussen de Binckhorstlaan en het kasteel te staan.

In 1993 werd het geheel, kantoorgebouw en kasteel, gekocht door ontwikkelaar en belegger Menno Smitsloo. Die bezit het allemaal nog steeds en verhuurt de panden. Bergman Clinics mag er nog tot 2020 in zitten. Pas dan loopt het huurcontract af.

Toegankelijk zijn het kasteel of de tuin normaliter niet. Het feit dat het om een rijksmonument gaat doet daar kennelijk niets aan af. Ook ik kwam dus niet binnen maar de blik van buiten gaf mij een goed genoege indruk. Het is dood en dood zonde dat dit kleinood niet bekender is, zichtbaarder en toegankelijker.

De gemeenten wil ‘De Binckhorst’ gaan herontwikkelen tot aantrekkelijk woongebied. Daarbij moeten bedrijven en kantoorpanden ruimte maken voor woningen, water en groen. Er is dus hoop voor het kasteel, mits de gemeente de plannen waar kan maken. En dat kan alleen met geld. Veel geld.

Jetta

Jetta Klijnsma is een beetje van ons Hagenaars/Hagenezen. Staatssecretaris van Sociale Zaken is ze nu. Onder meer belast met pensioenen.

Nu doe ik namens de journalistieke vakbond NVJ iets met pensioenen. Dus besloot ik mijn Jetta eens een brief te schrijven over wat praktijkproblemen waar ik tegenaan liep. Dat was 5 april van dit jaar.

Drie dagen later een schrijven van Sociale Zaken. De brief was binnengekomen en geregistreerd. Beantwoording zou binnen maximaal zes weken volgen.

De afzender was niet Jetta noch haar secretaresse. Nee, iemand van communicatie. Ik begon al een vreemd gevoel te krijgen maar besloot Jetta het voordeel van de twijfel te geven.

Dat had ik beter niet kunnen doen. Na zes weken nog steeds niets. Na precies twee maanden besloot ik het departement eens te bellen. Een meneer nam de telefoon op. Ik vroeg keurig naar het secretariaat van staatssecretaris Klijnsma.

Namens wie ik belden wilde de heer weten. Namens mezelf antwoordde ik geheel conform de waarheid. Waarover dan wel luidde de vervolgvraag. Over een correspondentie met de bewindsvrouwe, reageerde ik.

Fout. Meneer liet weten dat hij mij niet door mocht verbinden met het secretariaat. Voordat ik kon protesteren was ik al weggedrukt. Kort daarop een vrouwenstem. Wat ik wenste.

Ik legde een en ander keurig uit. Aan de reacties van de dame was te merken dat ze van niets wist. Ze moest wat dingen noteren. En na eindeloos gezucht was het resultaat dat ze de gegevens zou doorzetten naar haar collega en die zou mij dan gaan antwoorden. Als dat niet gebeurde moest ik haar maar weer contacten.

Ik vroeg dus haar naam en telefoonnummer. De naam kreeg ik niet en het nummer was 1400. Een algemeen informatienummer van de rijksoverheid, zo achterhaalde ik later.

Gelukkig trof ik later nog een emailadres aan van Sociale Zaken met als titel ‘info’ voor de apenstaart. In een paar zinnen schetste ik de situatie.

Een dag later, jawel, antwoord. Dit maal van een meneer die tekende namens de afdeling publiek en informatie van Jetta’s ministerie.

Excuses voor alle vertraging maar dat kwam vanwege de vele brieven die Jetta ontving. En hij had goed nieuws: het antwoord aan mij lag ter ondertekening bij de staatssecretaris!

Niet dat ik ondertussen al iets heb ontvangen. Vrees dat dat nog wel even gaat duren. Hoe omslachtig kan je het allemaal maken. In mijn brief had ik Jetta voorgesteld elkaar eens te ontmoeten om over de zaak te praten.

Dat beraad had al lang kunnen plaatsvinden. Dan was de zaak voor ons beiden duidelijk geweest. Ook zonder brieven  en talloze ambtenaren die zich er nutteloos mee bemoeid hebben. En dat alles van onze belastingcenten.

Jetta was ooit zo benaderbaar.

Er was eens een museum

Sommige mensen zijn er helemaal gek van: oude trams en bussen. Niet alleen om naar te kijken maar ook om er aan te zitten, er iets mee te doen. Rijden of sleutelen. Wellicht beiden. Restaureren, schilderen, poetsen. En dat alles zonder op de klok te kijken of er een financiële vergoeding voor te willen krijgen.

Het gebeurt in Den Haag ook. In een uit 1906 daterende remise van de HTM in de Frans Halsstraat. Daar zit sinds 1989 het Haags openbaar vervoer museum. Een plek voor de echte freaks, maar ook voor de liefhebber dan wel belangstellende. Of een toerist die eens iets anders wil doen dan Binnenhof, Mauritshuis, Voorhout, Paleis, (eventueel) Panorama Mesdag, Madurodam en Scheveningen. In willekeurige volgorde en al naar gelang het weer.

Het is dan ook een hele verbazing als je, als Hagenaar, ineens ‘op’ de Binckhorst een bord tegenkomt: Haags Bus Museum. Een pijl wijst een pad in waar je nadat de zon is onder gegaan nooit zou komen. Zelfs bij helder daglicht lijkt het er niet pluis.

Wat mislukte dan wel hobby-verkeersdrempels – in een doodlopend stuk asfalt, en niet meer dan een half ronde verhoging van nog geen tien centimeter – over. Een gigantisch hek dat uitnodigend open staat. En toegang geeft tot een kennelijk al jaren geleden parkeerplaats. Tenminste, een zwarte vlakte die daar voor door kan gaan.

Twee gebouwen, onderling verbonden. Waarvan de meest rechter een glazen facade heeft alsmede deuren die lijken op die we kennen van een garage of hangar. Een in een hoek wegkwijnende benzinepomp doet dienst als stille getuige.

Zowaar. Achter het glas, in een enorme lege ruimte, ontwaar ik een stuk of 20 bussen. De meesten met herkenbare logo’s van HTM en NZH. Geelgroen, donkerrood-grijs, okergeel-grijs. De kleuren vormen een houvast.

DSC01383

Toegang krijgen tot de vervoersgiganten is er echter niet bij. Deuren gesloten, geen mens te bekennen. Achter de ramen, op diverse plaatsen, hangen opschriften met namen en telefoonnummers van ‘mensen die er iets van afweten’.

Het mysterie wordt snel duidelijk. Het gaat om het bezit van de in 1979 opgerichte Stichting Haags Bus Museum. De Stichting heeft 24 bussen. Die kunnen alleen niet allemaal in het vervoermuseum. Dus is er ‘opslag’ nodig.

En die is gevonden op de Binckhorst. In een oud garagepand. Helaas is het maar tijdelijk want de gemeente Den Haag wil het industriegebied omvormen tot een stadsdeel waar het goed wonen en toeven is. Dus moet ook deze locatie eraan geloven. Te zijner tijd.

Waar de historische gevaarten dan heen moeten is nog onduidelijk. Voor de goede orde: geld voor de huur van een echte garage is er niet. Bovendien moet die gigantisch zijn en moeten de medewerkers van de Stichting er wel kunnen doen wat ze het liefst doen: knutselen aan oude bussen totdat ze weer zo goed als nieuw zijn. En bewaard kunnen worden voor het nageslacht. O ja, en ze moeten kunnen rijden. Tenminste op en neer tussen de Binckhorst en de Frans Halsstraat.

En voordat iemand er naar vraagt: ik ben geen freak en heb ook niets met de musea. Nieuwsgierigheid is het enige dat me in draf houdt.