Marnix Rueb, vooral bekend geworden als geestelijk vader van Haagse Harry, is overleden. Dat maakte zijn broer vanochtend bekend. Hij leed aan longkanker.
Haags zonder Harry zal moeilijk worden. De antiheld die binnen korte tijd Den Haag en vervolgens het hele land veroverde, zorgde ervoor dat menigeen niet alleen Haags leerde praten, maar voortaan ook wist hoe het Haags geschreven diende te worden. Voor diegenen die daar nog altijd niet uit zijn, hebben wij dankzij Marnix ‘Ut Groen-Geile Boekie‘. Net als het werk waarop ‘Ut Groen-Geile Boekie’ een parodie was, ‘Het Groene Boekje’, van de Nederlandse Taalunie, waarin de officiële spelling van het Nederlands wordt beschreven, werd ook Ruebs woordenlijst geactualiseerd: de geheel herziene uitgave van zijn Haagse woordenlijst kwam uit in 2008.
Op het internet stromen langzaam de berichten over Marnix’ dood binnen. Zo zei Sjaak Bral op Twitter: “Dit is een zwarte, inktzwarte dag voor Den Haag.” Maar ook de humor, Ruebs eigen wapen, ontbreekt niet:
Rene Bom, onze Haagse Nachtburgemeester die op 3 oktober geveld werd door een herseninfarct, verbleef in hetzelfde ziekenhuis als Marnix en zocht hem dagelijks op. “Je hep afscheid kennen nemuh van iedereen die je dierbaar was op de manier zoals jij dat wilde”, schreef Bom in plat Haags op Facebook.
Marnix Rueb, door onze Interniek omschreven als ‘een grote bek met een klein hartje’, was jarenlang een vriendelijke luis in de pels van de gemeente. Hij werd 59 jaar.
Lag er vanochtend nog een stuk stormschade op straat, een rode baldakijn die losgerukt was van de gevel van een van de panden van de Geleenstraat, vanmiddag was het stuk zonwering opgeruimd en was de zon zelf ook zowaar weer terug in de Haagse Rivierenbuurt. Tussen de mensen die op de tram stonden te wachten bevond zich een open vrachtautootje, met een man in overall die net klaar was met zijn vorkheftruck de bloembakken te verwijderen.
Foto: (c) Haagspraak
De bakken, die door het hele centrum ongeveer dezelfde soorten bloemen bevatten, worden opgehaald nu de planten er nog een beetje mooi uitzien, legde de man uit. Zo rond eind mei mogen we ze weer terug verwachten. Sommige delen van de stad hebben meer mazzel: daar worden de bakken vervangen door ‘heidebakken’.
Ik vraag me af wie het in zijn hoofd haalt om aan mijn voordeur te staan, zondagochtend om kwart voor elf nog wel. Ik rol mijn bed uit en loop, nog slaapdronken, naar de hoorn van het witte toestel dat naast mijn voordeur hangt. Voordat ik opneem, open ik even het kijkgaat je van mijn voordeur. Niemand, de belletjestrekker staat dus buiten, bij de deur van de portiek.
Ik: “Ja, wie is daar?”
Onbekende vrouw: “Goedemorgen, ik bel aan voor een van uw buren. Kent u misschien iemand hier die Papiaments spreekt?”
Ik versta haar maar half en snap er nog minder van. Het enige dat ik kan verzinnen, is dat ik hier weer eens een verdwaalde bezoeker van mijn buren heb staan. Over het algemeen zijn die wel okay, ze zijn hooguit een beetje de weg kwijt.
“U belt dus aan voor een van mijn buren? Heeft u misschien een naam?”
“Nee, ik keek gewoon op de naambordjes en dacht dat u misschien Papiaments spreekt?”
De dame is dus niet alleen verdwaald, maar heeft ook nog bijzonder slechte ogen. Het is mij een volslagen raadsel hoe iemand met mijn achternaam verondersteld wordt Papiamento te spreken.
“Mevrouw, misschien kan u beter een van mijn buren proberen. Misschien dat u bij hen iemand vindt die Papiaments spreekt.”
“Oh ja, dank u wel!”
“Fijne dag!”
Ik leg de hoorn neer en loop linea recta door naar het koffiezetapparaat. De zondag is begonnen.
Den Haag FM weet vandaag te melden dat de PvdA in Den Haag akkoord gaat met de sloop van vrijplaats De Vloek. Volgens raadslid Bülent Aydin kon zijn partij pas definitief akkoord gaan met de ‘herinrichting van het havengebied’ na aanvullende toezeggingen van het college van B en W.
Concreet betekent dit dat er nu in Den Haag een goedlopend sociaal-cultureel initiatief, met bedrijven en voorzieningen voor en door Scheveningers wordt vervangen door een nichefunctie, een topzeilcentrum dat aan de raad verkocht wordt als ‘trekker’, maar in de praktijk vooral een voorziening voor een kleine elite van topsporters zal zijn. Een verkeerd geplaatste voorziening ook, want de in Scheveningen geprojecteerde zeezeilhaven zal aan de andere kant van het water zijn plek vinden.
Een en ander zou ik als inwoner van deze stad nog wel verkoopbaar vinden als dit pet-project van zeilliefhebber en wethouder Karsten Klein (CDA) de gemeente nog geld op zou brengen. Integendeel: met enkel de grondexploitatie van dit plan legt de Haagse belasingbetaler er al 3 miljoen op toe. Waar zometeen de teller stopt, ik durf er niet aan te denken. In ieder geval is het overduidelijk dat het publieke belang van de stad en haar inwoners hier moet wijken voor de grondpositie van een projectontwikkelaar. Een commerciële partij die geduldig is en kan wachten tot er wel een wethouder opstaat met een visie voor de haven. Voor die commerciële jongens leggen wij nu met zijn allen geld op tafel.
Ik vraag mij af: als dit project zo belangrijk is voor de zeilsport in Nederland, een sport waarin nog altijd miljoenen aan sponsorgeld rondgaat, waarom moet de Haagse belastingbetaler hier op toeleggen? En waarom moet de Scheveninger hiervoor beroofd worden van zijn sociaal-culturele voorzieningen?
Een vriendelijke dame heet mij welkom als ik aanschuif aan het verder lege tafeltje op de eerste verdieping: “Bent u de dichter van dienst? Of bent u de klant?”
Ik moet hier even over nadenken, zo had ik mijzelf nog nooit bezien. Ik schrijf gedichten, ja, dus ben ik dichter. Maar ik ben niet het lid van het Haags Dichtersgilde dat hier vandaag dichtersspreekuur houdt. En klant, nee, ik kom hier langs om even te buurten bij Harry Zevenbergen, die ik hier hoop te zien.
En dan nog: hebben dichters klanten? En zo ja, noemen we die klanten? Of misschien noemen wij ze cliënten? Een Amerikaanse architect waarvan ik de naam weer vergeten ben, schreef ooit ergens op dat enkel advocaten, prostituees en architecten hun klanten cliënten noemen. Misschien dat dit gebruik ook opgaat onder dichters. Ik besluit maar gewoon te gaan zitten en het aangeboden bakje koffie te accepteren.
De tafel met boeken bij het dichtersspreekuur
Na enige minuten waarin ik de op tafel uitgestalde dichtbundels, ik herken er enkele, waaronder een boekje van Lucebert dat ik in Juni nog geleend had, moedwillig negeer en de dame ergens buiten mijn zicht op zoek gaat naar het telefoonnummer van ‘de dichter van dienst’ die nu toch wel lang op zich laat wachten, komt er dan toch een dichteres aangelopen.
Ze stelt zich voor als Milla Braat. Ik ken haar nog niet, maar dat zegt niets: dichters kunnen zich over het algemeen erg goed verstoppen, soms jarenlang. Dat weet ik uit eigen ervaring. Ik leg Milla dan ook uit dat ik mijzelf als dichter 18 jaar lang verborgen heb weten te houden, om uiteindelijk in mei 2013 voor het eerst eens op een podium te zijn gaan staan. Uit het simpele feit dat ik dit optreden overleefd heb leidt ik af dat mijn verborgen dichtersbestaan al die jaren misschien enigszins overdreven is geweest.
Bij andere dichters ligt dit duidelijk anders: ze vertonen zich niet op deze vrijdag. Pas op het moment dat de vriendelijke dame van de bieb de tafel begint op te ruimen dient zich een jongeman aan. Omdat hij nog slechter geschoren is dan ik leid ik uit zijn voorkomen af dat hij wellicht een dichter is.
Dat blijkt te kloppen. Sean Cornelisse, zoals de laatkomer blijkt te heten, presenteert zich in de stijl van ‘bezeten kunstenaar’ of ‘waanzinnige geleerde’. De dame van de bieb kijkt opgelucht op en onderbreekt haar opruimactiviteiten om het hele gezelschap nog een automatendrankje aan te bieden. We schakelen massaal over op warme chocolade.
Sean Cornelisse toont zijn werk ‘Ovismen’
Sean heeft een klein boekje meegenomen, met maar liefst 99 gedichten. Hij legt uit dat hij een jaar geleden begonnen is aan dit werk en dat het binnen enkele weken gedrukt zal worden.
Ovismen, zoals het boekje heet, blijkt een bijzonder experimenteel werk. Cornelisse is bij het vervaardigen van zijn 99 gedichten uitgegaan van een bijzonder proces, waarin hij fantasiewoorden door Google Translate naar het Nederlands heeft laten vertalen. Elk fantasiewoord, dat spontaan uit zijn onderbewuste is ontsproten, komt slechts een keer voor in het werk. Elke pagina bevat een gedicht in beide talen: de klanken van de fantasiewoorden, gevolgd door de Nederlandse vertaling.
Dit levert bijzondere, raadselachtige teksten op. En dat blijkt ook, want het werk zal binnen enkele weken in druk gaan, in een kleine oplage weliswaar, maar dat is een begin voor deze bundel van een bijzonder talent.
Na nog ruim een half uur gesproken te hebben met Sean, wordt de dichteres van dienst opgehaald door haar vriend. Ik besluit dat het onderhand ook etenstijd is en neem afscheid van beiden. Maar niet zonder Sean om zijn emailadres te vragen. Als zijn ‘Ovismen’ over enkele weken presentatieklaar is, wil ik er wel bij zijn. Indien mogelijk schaf ik dan meteen een eigen exemplaar van deze experimentele bundel aan.
Het dichtersspreekuur vindt iedere tweede vrijdag van de maan plaats in de Openbare Bibliotheek aan het Spui in Den Haag. Het is bedoeld voor dichters van alle niveaus, maar ook liedjesschrijvers en scholieren die een gedicht moeten analyseren voor een opdracht van hun docent Nederlands kunnen hier terecht. De vaste plek is een tafel in het zicht van de roltrap op de eerste verdieping.
De experimentele dichtbundel Ovismen van Sean Cornelisse komt binnenkort uit. Haagspraak zal hier hopelijk verslag van doen.