Een van de omissies bij de oprichting is dat we vergaten foto’s te maken van degenen die bij oprichting van Haagspraak tijdens de Opûh Koffie bij 7’Oclock van 10/10/2012 betrokken waren.
Volgens mij waren dat Lies Baas, Edwin IJsman, Ed Gool (Oenkenstein), Niek ’t Hart (Interniek), Guido van den Elshout (Happy Hotelier), Akbar Simonse en Roel Wijnants. Mis ik iemand?
In ieder geval kwam op Maandag 10/10/2016 de 4 hierboven met hun foto’s weergegeven personen (Theo, Niek, Guido en Ed) rond het middaguur bij Lola bijeen om even te gedenken dat we 4 jaar bestaan. NB Lola heeft een paar minpuntjes (geen wifi en geen lunch) maar wel heel erg goeie koffie…en prachtige Fietsen aan de muur).
Er werden sterke verhalen verteld waar we rode oortjes van kregen. We gaan u niet verklappen wat er is verteld, dan had u er maar bij moeten zijn!
Jammer dat vooral Lies verstek moest laten gaan wegens griep en anderen vanwege werk en/of andere afspraken.
Ik zal hierna nog wat wetenswaardigheden puntsgewijs vertellen en ga dan weer over tot de orde van de dag.
Het was voor mij tijd om weer eens langs te komen bij de Opûh Koffie en te kijken hoe het er hier aan toe ging. Dat viel aanvankelijk niet mee: blogster José Day gaf aan ziek te zijn en redactielid Edwin IJsman, het mannetje dat mij altijd censureert, kwam weer eens veel te laat aanlopen. Hetzelfde gold voor redactieleden Interniek en Happy Hotelier. Bij IJsman probeerde ik nog met veel geblaf duidelijk te maken dat dit echt niet kon en we onszelf, nu we in 2016 over de 10.000 views heen zijn, nou eens een keer wat serieuzer mogen nemen. Ik kreeg een aai over mijn bol. Dat schoot dus niet op.
Gelukkig zijn er mensen als Roel Wijnants en onze Akbar aanwezig die voor Haagspraak de zaak waarnemen. Roel was zelfs zo aardig mij een glaasje aan te bieden:
Aangezien ik de eigenaar van het café ben (mijn bazin denkt hier overigens anders over) was dit natuurlijk wel een borrel uit eigen doos. Zo ken ik ze bij Haagspraak. Op naar de 20.000 dan maar!
Ik bedank alle belangstellenden en vrienden voor hun bezoekjes en reacties en alle auteurs voor hun bijdragen. Ik hoop dat we er in 2016 in slagen met elkaar 366 posts minimaal, minimaal iedere dag een post, uit te persen. 2016 is een schrikkeljaar.
Wij wensen onze kijkers een bijzonder goed 2016. Ik hoop dat u veel komt kijken en reageren.
Na alle verhalen dat Sacha Kahn onze mede auteur en dichter zoek zou zijn en na 1, 2, ja zelfs 3 pogingen van ons hondje om hem weer te vinden weer gevonden zou zijn, zal ik u wat keihard fotomateriaal doen geworden. Ja hij schrijft kennelijk weer en geeft interviews aan hondjes, maar dat kan iedereen in elkaar draaien. Met foto’s kan niet worden geknoeid, toch?
Ik heb hem in ieder geval met mijn eigen ogen en camera gespot achter een Haags raam, waar hij met zijn jas aan toch redelijk genoeglijk leek te keuvelen met andere lieden. De eerste foto lijkt nog wat op zijn naar zijn eigen zeggen tikje verwarde geest: Je ziet de (be)spiegelingen beter dan zijn achterhoofd (de enige plek waarmee hij op de foto wil). Dat komt door de spiegeling van de ruit waar achter ik hem heb gespot.
Bij de tweede foto is duidelijker te zien dat hij het echt is. Duidelijk zijn ook zijn nekharen te zien, zij het dat ze wat kort zijn. Hij zet ze zo graag recht overeind als iets hem niet zint.
“Ik heb het hondje gevonden meneer Kahn. Ik doe zo de deur voor u open, maar moet eerst nog even naar het toilet. Maak maar even gebruik van de gelegenheid om het dier aan u te laten wennen.”
De man aan tafel reageert niet op de woorden van de therapeut en maakt een korte hoofdknik naar de tweede plastic stoel: “Ga zitten Tommy, wil je koffie?”
Ik schud mijn hoofd, er vliegen wat druppels van deze natte herfst van mijn oren.
Sacha Kahn heeft zijn zwarte Bogarthoed al op, jas aan. Met twee handen omklemt hij een plastic mok zwarte smurrie. Naast hem ligt en pak papier zo dik als het telefoonboek van New York.
“Ik heb het afgelopen jaar jouw stukjes met belangstelling gelezen, voor zover ik internettoegang kreeg tenminste. Leuk werk Tommy, laat je niet kisten door die conservatieve redactie.” Onwillekeurig begint mijn staart te kwispelen. “Hoe heb je mij gevonden?”
Ik leg de dichter uit dat een reeks recente foto’s van onder andere Roel Wijnants en andere clues mij tot de conclusie brachten dat Sacha Kahn nog in leven moest zijn en wel in onze stad. Sacha grinnikt: “Je woorden ‘halfgare dichter’ zaten dichter bij de waarheid dan je kon vermoeden. Die ontsnapping van drie weken geleden leverde me dagen isoleercel op. Het was op zich ook wel weer nuttig. Ik heb de tijd gehad om na te denken over mijn nieuwe boek,” Hij legt zijn hand op de papierstapel, “Op zoek naar de verloren bladzijden noem ik het, een roman in zeven delen waarin de herinnering een grote rol speelt.”
“Het was niet moeilijk je te vinden, Sacha, je collega’s bij Haagspraak zijn gewoon nooit op het idee gekomen de afdeling Verwarde Personen te bellen.”
“Tsja, erg praktisch waren ze nooit.” Sacha vertelt mij dat hij na het verlaten van zijn flat in april 2014 enige tijd rondgezworven heeft, aanvankelijk in gezelschap van De heer T.W. Baal, een hersenspinsel van de onlangs overleden medeblogger Teun. Hij complimenteert me met de ontdekking van hun beider aantekeningen in een gastenboek en vertelt verder: “Op een gegeven moment zat ik hier. Het is hier een gekkenhuis. Het is verdomde lastig je hier op je schrijfwerk te concentreren.”
Roel Wijnants maakte onlangs al deze foto van een man die wel erg op Sacha Kahn leek.
Van zijn opname en de periode direct ervoor herinnert hij zich niets meer, maar de behandeling in de gesloten inrichting heeft hem goed gedaan, zo vertelt hij. Ook legt hij mij uit dat zijn kijk op de wereld van de poezie en het bloggen totaal is veranderd:
“Gerry,” Sacha wijst naar de gesloten deur, “is een goed mens, een beetje goedgelovig misschien, maar daar profiteren we zometeen van. Mijn hoofdbehandelaar heeft mij veel geleerd. Dankzij hem begrijp ik nu dat de collega’s bij Haagspraak mijn eigen hersenspinsels zijn en ik al die tijd in een psychose heb geleefd.”
“Hersenspinsels?”
“Ja, allemaal, Lies, Edwin, Carel. Van Someren (Sacha’s therapeut, red.) heeft mij dit uitgelegd. Welke hotelier noemt zich immers ‘Happy‘ en verkoopt vervolgens zijn vijfsterrenhotel? Welke rijksambtenaar wordt ineens creatief en neemt een naam als ‘Interniek‘ aan? Wat voor zeventiger noemt zich in vredesnaam ‘Artodidart‘? En IJsman, Oenkenstein? Wat voor mens die bij zijn volle verstand is noemt zich zo?”
Ik probeer er nog iets tegenin te brengen maar het blijkt zinloos.
“Ik heb jullie allemaal verzonnen. Ook jij, Tommy, bent een product van mijn verbeelding, maar dat geeft niet. Zometeen gaan wij samen een stukje wandelen en dan duurt het maanden voor ze me weer gevonden hebben.”
Ik kijk van Sacha’s ogen naar zijn manuscript ter dikte van het telefoonboek van New York en realiseer het mij plotseling: dit is het telefoonboek van New York.
“Meneer Kahn? Ik ben klaar, u kan met het hondje gaan wandelen.”
De man lijnt mij aan en geeft de riem aan Sacha. Samen wandelen we de novemberregen in. Mijn opdracht zit erop. Sacha Kahn is terug, min of meer…