HAAGGEDICHT

P1230287

GELEENSTRAAT, ZIJ STROMEN,

zij schilderen hier in de virginale kerstmisnacht
en zien hoe breed een bruid kan zetelen om zich telkenmale
te boorden met de lichten van de lust. Van hier bewaak ik
uw zestien smalle ramen, uw knap ondergoed,
de opgepakte jongsten verglazen hun lippen tot een kus.

Ik dank u dan ik niet ben gelijk hem die de vrouwen
naloopt, die zich altijd tussen het vlees in droomt,
die vreemd van drift en scheel van zaad
door de straten banjert. Ik heb geleerd
hoe op u beurend in te spreken.

Probeer uw stem in de bordeeltaal te verheffen,
dan ketst het op de keien. Wees een kiepkar
die zijn lading klinkers weg laat glijden.
Hoor de klanten consonanten smoren, in de peuken
brandend sissen, afgebeten, uitgespet.

Zorg dat u slipvrij zit.
Ik schenk u rijgbottines, behoed u
voor de positie die plat in de plassen ligt;
versier het zwart en nette van de straat
met gitgalon in uw Braziliaanse stijl.

Waak over uw moorddadig hart,
want in uw borst zijn kelders waarin
verholen vrouwen en precisie-instrumenten
kraken de kranen van herinnering.
Laat mij uw wensen en uw dorsten registreren,
ik verzorg de wederopbouw van deze vergeten kern.
Ik knoop mijn das tot strop, koop
voor de feesten in, zet de boom in top.

Tomas Lieske

HAAGGEDICHT

P1220152

DRIE GEDICHTEN VOOR EEN HOEKHUIS VAN
DE OOG IN ‘T ZEILSTRAAT IN ‘S-GRAVENHAGE

Door ’s werelds zee
Vol Hartewee
En stormen, vindt
De schone kust
Van zalige rust
Wie op geen wind
Van tijdelijk heil
Te licht vertrouwt,
Maar altijd houdt
Een oog in ’t zeil.

ANDERS

In ’s werelds zee, vol storm en druk,
Verkeert de wind van aards geluk.
Zoekt gij de kust van eeuwig heil,
Zo hou altoos een oog in ’t zeil.

ANDERS

Vertrouw op vorst noch vrind.
Bij mensen is geen heil:
Zij draaien als de wind.
Hou zelf een oog in ’t zeil.

Johannes Vollenhove

HAAGGEDICHT

P1210338

DICHTER 2

En toch, je eigen buurman in Kijkduin,
van notabene twee onder een dak,
was dichter: iemand slordig in het pak
en zo apart, dat jij hem met een schuin
oog gadesloeg. Hij bakte ’t ook wel bruin
zoals hij, met de ambtenarenkak
waarmee hij soms tegen de keuken sprak,
heel de dag zat te niksen in zijn tuin.

Misschien dat hij daar wat ik nu maar noem
het dromerig nadenken overdreef,
waardoor geen tijd voor groeten overbleef;
misschien dat hij toen net over de doem
van het ontwaken, wasschen, kleeden schreef
en van de inane daden, meneer Bloem.

Michel van der Plas

HAAGGEDICHT

Regentes

BAD- EN ZWEMINRICHTING ‘DE REGENTES’

De badknecht had een oor
waar nog een North State
achter paste.

Hij hielp de tijd voort
op een klok
die niet echt liep

verbood
als ooit zijn club verloor
een naar het matglas opgalmende aria.

Weer in dat broeierige hokje.
Je vangt in tegels soms een glimp op
van jezelf, ontdekt

sporen van roest. Een nutteloze plug.
Met ribbelige vingers
wrik je hem eruit.

Schuim daalt langs haar rug.
Je volgt haar hand, de welving
van haar buik.

Vlug naderend geklos.
Dat godzijdank voorbijgaat.
Het kletteren van hengsels

later. Nog hoor je wel
in zinken emmers
het snel stijgen van water.

Cees van Hoore

HAAGGEDICHT

P1200815

LETTERKUNDIG MUSEUM IN DE JUFFROUW
IDASTRAAT

I

Beneden steeds de astmahoest van Gerrit Borgers
meer nicotine dan zuurstof leek het soms
wel gulle happer tijdens vergaderingen
in een literair modemagazijn

waarin maskers
van makers maar nooit lekker voorjaar
waarin grijze dossiers maar nooit popmuziek
en een leeszaal voor strafregels
over al die dode mevrouwen en mijnheren

drukwerk is oorzaak van bedruktheid
tenzij een flitsend lampje ontploft

A flirt met B in de studiezaal
wat kan Potgieter ons nou toch verdommen
jazeker, ogen en steelse lippen plegen
overspel in dit stoffige boudoir

II

vaste baan van 9 tot 5 maar
vaak spijbelde ik in het schaduwarchief
hongerig als een muis naar kaas.
het liefst opende ik de doos ‘Nescio’
sarcofaag vol cahiers en notitieboekjes.
de verwarming suisde. ik las:
‘een groot dichter zijn en dan vallen.
in de volheid der tijden.’ het jeukte in
mijn schedel van jaloezie en geluk.
alleen zijn met een dierbare dode
in een kelder van onze residentie.
ook Gerrit Achterberg liep hier in
doodvakantie, van Noordeinde via Gerzon
tot de Passage: Den Haag je tikt er tegen
en het zingt – voorbij de laatste stad

III

op zolder schreef ik
gedichten in de stoel van Couperus
illegale muze en illegale sigaret
onder hanebalken en het dakraam

zo komt de zon zonder dollen
naar binnen en tolt in je kop

IV

beneden nog altijd
vlijtig pennen van legale studenten
over ‘Awater’ en ‘Een winter aan zee’

de waanzinsonnetten van Willem Kloos
het verschoten behang van ‘De avonden’
en Vijftigers met tijgersnorren

tot de leeszaalcerberus tikt
het is tijd: lever in
kranteknipsels en hogere wijsheid

een draaiorgel jankt bij de Kneuterdijk
poëzie en proza worden ingeruild
de hoge toon zingt meteen
een toontje lager

O muze R.I.P. – na 5 uur verlaten.
mevrouw Aalbregt de werkster veegt
alle rommel aan en sluit fluitend de deur

Jaap Harten