Anna Cornelia, een naam uit het verleden

Vernoemd naar een van de schuiten van de Firma Jansen. Foto door Roel Wijnants.
Vernoemd naar een van de schuiten van de Firma Jansen.

Wie kent ze niet? De diverse bordjes, die je in een aantal Haagse grachten tegen komt. Ze zijn net iets boven de waterlijn aangebracht.

Het is een kunstproject en heeft een relatie met de Energiecentrale (GEB) aan de Constant Rebecquestraat.

In het verleden voer de firma Jansen met een aantal schepen dagelijks van de kolenoverslag aan de Laak naar de Energiecentrale, die tot 1967 met kolen werd gestookt.
Schepen hebben om diverse redenen vaak vrouwennamen. Zo ook de platte schuiten van de firma Jansen, de namen van de schuiten komt men tegen vanaf het begin tot het eind van de route, die de schuiten dagelijks een aantal keren aflegde. Hier bij Vaillantlaanbrug is het bord met Anna Cornelia te zien.

Beppie en Sera

Nu de jaren meer gevorderd lijken te geraken maakt het lichamelijk actief zijn steeds meer plaats voor activiteiten van de hersenen. Daar hoort min of meer als een vast onderdeel bij, dat ik in gedachten terug ga in de tijd en daarbij komen dan, herinneringen waarvan ik dacht dat ik ze vergeten was ineens weer naar boven.
Ik ben, alhoewel ik er met regelmaat kwam, een lange periode weg geweest uit Den Haag. dat ik ooit uit mijn geboortestad ben vertrokken had te maken met de huisvestingsproblemen waar de grote steden na de tweede wereldoorlog mee te maken hadden. De oorlog had veel sporen achtergelaten en alhoewel ik van de oorlog zelf weinig heb mee gekregen werd ik ik mijn jonge jaren behoorlijk met die ramp geconfronteerd.

Ik had een tante van moederskant, die met een jood getrouwd was. Oom dolf had een grote textiel zaak in de hobbemastraat, maar hij stond daarnaast ook nog op de markt met zijn ondergoed, sokken, theedoeken enz. Via oom dolf ontmoette mijn vader daar ook werkend op de markt Beppie en Sera. Deze twee jonge zusters hadden de holocaust overleefd en waren moederziel alleen. Geen vader en moeder, geen broers en zusters, geen ooms en tantes, geen oma’s en opa’s. Niks, alleen op de wereld. Allemaal, voor zover ze niet voor de oorlog overleden waren, vermoord door de moffen. Mijn vader was een sociaal mens en begaan met het lot van zijn medemens. Als gevolg op de ontmoeting gingen wij dan ook op zondagmorgen op bezoek bij de jonge marktvrouwen. Er heerste daar altijd een sfeer, die ik als kind helemaal niet kende. alsof we allemaal murf geslagen waren. Nog niet eens verdriet, om dat te uiten was het waarschijnlijk te groot en werd het verdrongen. Gelatenheid overheerste en er werd ook nauwelijks gesproken. We zaten bij elkaar, mijn broer en ik draaiden wat op onze stoelen, maar hielden ons muisstil uit een soort eerbied voor de situatie. Deze bezoeken hebben best wel een tijd geduurd. Soms zochten we ze dan ook wel eens op tijdens hun werk op de markt. Vrolijk heb ik ze nooit gezien.
Enige jaren geleden op de begrafenis van mijn oudste broer kwam ik een zoon van oom Dolf tegen en op mijn vraag of hij nog iets wist van Beppie en Sera vertelde hij, dat ze beiden nog leefden getrouwd waren naar Israël verhuisd waren en ondertussen ook weer terug naar Nederland waren gekomen.

via beppie en sera.